Deze folder vertelt u meer over het zorgprogramma mictieobservatie waaraan u deelneemt. Het zorgprogramma mictieobservatie biedt het totale aanbod aan zorg en behandeling voor patiënten die in aanmerking komen voor een dagopname waarbij het spontaan plassen wordt geobserveerd. Het doel van een zorgprogramma is het verlenen van patiëntgerichte en doelmatige zorg. Het geeft aan welk traject u doorloopt en wie er op welk moment actie moet ondernemen. Hierdoor weten alle hulpverleners die bij u betrokken zijn welke doelen er worden nagestreefd, wat de bijbehorende activiteiten en verantwoordelijkheden zijn, welke informatie u moet krijgen en wat er nodig is bij het ontslag. Aan het einde van het traject willen wij graag van u horen hoe u de zorg heeft ervaren. Hiermee kunnen wij het zorgprogramma nog verder verbeteren.

Inhoud zorgprogramma mictieobservatie

U heeft een urinekatheter gekregen in verband met niet of moeizaam kunnen plassen of in verband met goed leeg plassen van uw blaas. De uroloog heeft in overleg met u besloten om de katheter te verwijderen. Dit gebeurt tijdens een dagopname in het ziekenhuis. Daar wordt bekeken hoe het spontaan plassen gaat en of u uw blaas voldoende kunt legen. U heeft van de uroloog mondelinge informatie hierover gekregen en eventuele alternatieven zijn met u besproken. In deze informatiefolder kunt u thuis alles nog eens rustig doorlezen. Het is niet de bedoeling dat deze folder de persoonlijke gesprekken met uw uroloog vervangt. Met problemen en/of vragen, ook naar aanleiding van deze folder, kunt u altijd bij de uroloog terecht.

Locatie

De mictieobservatie vindt plaats op de volgende locaties van Alrijne Ziekenhuis:
  • Locatie Leiden: afdeling 3A;

  • Locatie Leiderdorp: afdeling B20V routenummer B1;

  • Locatie Alphen aan de Rijn: afdeling B1.

V an de secretaresse heeft u meegekregen:
  • De definitieve datum van de dagopname;

  • Deze folder (waarin kort is uitgelegd wat u kunt verwachten);

  • Het kan zijn dat u een recept meekrijgt met daarop een geneesmiddel dat behoort tot de groep geneesmiddelen bij prostaataandoeningen, de zogenaamde alfa-1-blokkers. Dit middel ontspant het spierweefsel in de prostaat en de blaashals, waardoor de urine gemakkelijker uit de blaas kan stromen. Dit dient u 1x per dag te slikken, bij voorkeur bij het avondeten.

Voor deze dagopname moet u meenemen:
  • een legitimatie (paspoort, ID-kaart of rijbewijs);

  • uw actuele medicatieoverzicht en de medicijnen die u gebruikt (in originele medicijndoosjes of baxterrol);

  • naam en telefoonnummer(s) van een contactpersoon; Tijdens uw verblijf in het ziekenhuis willen wij graag weten met wie wij contact op kunnen nemen voor vragen en/of inlichtingen.

  • eventueel nachtkleding en toiletartikelen (voor het geval u toch een nachtje moet blijven);

  • boek, lectuur, tablet/laptop of iets anders ter ontspanning. In het ziekenhuis kunt u gebruikmaken van draadloos internet. WIFI-code en wachtwoord kunt u opvragen bij het verplegend personeel;

  • Trek makkelijke kleding aan. Dit in verband met het meten van de achtergebleven urine in de blaas met behulp van de bladderscan (echo maken op de onderbuik ) of – als u deze heeft – via de buikkatheter.

Na uw opname krijgt u een vervolgafspraak bij de uroloog en/of verpleegkundige van de polikliniek Urologie.

Veel voorkomende termen

  • Mictie = plassen = urinelozing.

  • (Acute) Retentie= het niet spontaan kunnen plassen bij een gevulde blaas, in een vertrouwde omgeving, ondanks aandrang en meerdere pogingen, binnen een tijdsbestek van enkele uren.

  • Residu = de hoeveelheid urine die in de blaas is achtergebleven, nadat u geplast heeft. Dit meten gebeurt met de bladderscan of via de buikkatheter (als u deze heeft).

  • Bladderscan = een echoapparaat dat meet hoeveel urine er in de blaas achterblijft na het uitplassen. De verpleegkundige plaatst de bladderscan op uw onderbuik en meet zo de blaasinhoud. U voelt hier niets van.

  • Flowmetrie met echo= een onderzoek om te meten hoe krachtig de straal is en hoeveel urine er na het plassen in uw blaas achterblijft. U plast in een speciaal toilet waarop meetapparatuur is aangesloten. Nadat u heeft geplast, gaat u op de onderzoekstafel liggen. De verpleegkundige komt terug en meet met behulp van de bladderscan (echo) hoeveel urine er in uw blaas is achtergebleven. Dit onderzoek kan alleen worden gedaan als u een volle blaas heeft.

  • Buikkatheter = Suprapubische katheter (SPK)= een dunne slang die via de buik in uw blaas zit. Om te voorkomen dat de slang uit uw blaas glijdt, wordt er een ballonnetje aan het uiteinde van de katheter opgeblazen in de blaas.

  • Verbijfskatheter = Transurethrale katheter (TUK)= een dunne slang die via de plasbuis in de blaas is ingebracht. Om te voorkomen dat de slang uit uw blaas glijdt, wordt het ballonnetje aan het uiteinde van de katheter opgeblazen in de blaas.

  • Eenmalige katheter= een dunne slang die via de plasbuis in de blaas is ingebracht. Het verschil met de verblijfskatheter is dat deze geen ballonnetje heeft. Na het legen van de blaas wordt deze meteen verwijderd.

Opname

U moet ervan uitgaan dat u de hele dag (en soms nog een nacht) in het ziekenhuis verblijft. Nadat u zich heeft gemeld op de afdeling, neemt de verpleegkundige u mee naar de kamer. Na een kort opnamegesprek, uitleg over de dag en instructie over het plassen en residu meten, wordt de katheter verwijderd. Wanneer u een buikkatheter heeft wordt deze afgedopt. U krijgt een urinaal/po waarin u kunt plassen. Elke keer dat u heeft geplast, moet u direct de verpleegkundige bellen. Bij de opname heeft de verpleegkundige dit uitgelegd. De verpleegkundige meet na het plassen hoeveel urine er in de blaas is achtergebleven. Dit gebeurt door het maken van een echo van de blaas ('bladderscan'). Heeft u een buikkatheter, dan wordt deze na het plassen opengezet. De verpleegkundige vangt de urine uit de blaaskatheter op, en meet de hoeveelheid. Als vuistregel geldt dat er elke keer als u plast maximaal een kwart van de totale hoeveelheid 'spontane' mictie aan urine in de blaas mag achterblijven. Als u bijvoorbeeld 300 ml plast, dan mag er maximaal 75 ml urine in de blaas achterblijven (ook wel residu genoemd). Dan is er sprake van een 'goede' lediging. Meestal mag u na 4 keer een 'goede' lediging in overleg met de verpleegkundige naar huis. De uroloog kan in sommige gevallen besluiten van deze vuistregel af te wijken. De blaas en de urinebuis kunnen door de katheter geïrriteerd zijn, dit geeft een branderig gevoel tijdens en na het plassen. Ook kan er wat bloed bij de urine zitten nadat de katheter is verwijderd. In beide gevallen is het belangrijk goed te drinken. Wanneer u twijfelt, overleg dan met de verpleegkundige.

Instructie plassen

Bij opname krijgt u van de verpleegkundige:

  • een gele kaart met daarop korte instructie/adviezen voor het plassen;

  • de folder Plasadviezen voor mannen óf de folder: Plasadviezen voor vrouwen .

Hierbij alvast enkele belangrijke adviezen:

  • Neem de tijd om te plassen.

  • Zit met twee billen op het toilet. Voor mannen kan zittend plassen op het toilet ervoor zorgen dat de blaas beter wordt geleegd.

  • Zet de voeten plat op de grond.

  • Adem rustig in en uit en ga niet persen tijdens het plassen, laat het plasgevoel komen.

  • Plas de blaas in één keer leeg, onderbreek de straal niet.

Hoe ziet de dagopname eruit?

Nadat de verpleegkundige de katheter heeft verwijderd of de buikkatheter heeft afgedopt, volgen de volgende stappen:

  1. U drinkt minimaal elk uur één glas water extra. Het is niet de bedoeling dat u overmatig gaat drinken. Dan gaat u zich naar voelen en/of de blaas raakt overbelast waardoor het plassen niet gaat.

  2. U plast in een urinaal of op een po.

  3. Direct daarna belt u de verpleegkundige met behulp van belsysteem.

  4. De verpleegkundige meet het residu.

  5. Meestal kunt u na 4 keer goed te hebben uitgeplast in overleg met de verpleegkundige naar huis.

  6. Als u een buikkatheter heeft, wordt deze voordat u met ontslag gaat verwijderd. U moet daarna nog één uur lang op de afdeling blijven, zodat kan worden gecontroleerd of het gaatje in uw buik niet lekt. Daarnaast moet u nog eenmaal spontaan plassen.

Wanneer het plassen niet goed gaat, wat dan?

Het kan om één van de volgende situaties gaan:

  • U plast niet binnen 6 uur na het verwijderen van de katheter of het afdoppen van de buikkatheter.

  • U heeft last van doorlopende urine-incontinentie (ongewild urineverlies) gedurende de gehele dag door na het verwijderen van de katheter.

  • U heeft te 'grote' residu’s.

  • U heeft een retentie van 500 ml of meer.

De verpleegkundige overlegt dan met de uroloog, waarna u uitleg krijgt over het afgesproken beleid. Afhankelijk van de situatie kan het volgende worden besloten:

  • Eenmalig katheteriseren: de blaas wordt met behulp van een katheter geleegd en daarna begint het meten en observatie van de mictie weer opnieuw.

  • We brengen een verblijfskatheter in en u gaat hiermee naar huis. U krijgt een afspraak mee voor een gesprek met de uroloog op de polikliniek om verder beleid af te spreken.

  • U blijft ook de nacht ter observatie in het ziekenhuis. Dit gebeurt wanneer het plassen redelijk gaat maar niet goed genoeg is om u naar huis te laten gaan zonder katheter.

Ontslag zonder katheter

U gaat naar huis zonder katheter. U krijgt de volgende papieren, materialen en leefregels mee:

  • Afsprakenkaart met daarop een afspraak voor een poliklinische controle voor over 2 weken bij:

    • de verpleegkundige. U krijgt dan een flow- en echo-onderzoek. U dient met een volle blaas te komen.

    • de uroloog. Hij of zij bespreekt hoe het met u en het plassen gaat.

  • Eventuele recepten. U krijgt uitleg van de verpleegkundige.

  • Afspraken over het gebruik van de antibiotica, waarmee u voorafgaand aan de mictieobservatie bent gestart. In principe maakt u de voorgeschreven kuur af.

  • Afspraken over de medicatie: (her)start en/of stoppen. De verpleegkundige zal – indien dit van toepassing is – uitleg geven over nieuwe medicatie (werking, dosis en tijdstip inname, bijwerkingen en dergelijke). Wanneer de uroloog bepaalde medicatie wil stopzetten, zal de verpleegkundige u hierover informeren en dit aan uw huisapotheek doorgeven.

  • Eventueel incontinentiemateriaal. Het kan zijn dat u nog ongewild urine verliest. De verpleegkundige geeft u uitleg over het gebruik hiervan en hoe u dit kunt bestellen bij de medisch speciaalzaak.

U kunt tot een week na ontslag met het ziekenhuis bellen bij onverhoopte problemen, die te maken hebben met hetgeen waarvoor u opgenomen bent geweest (bijvoorbeeld niet meer kunnen plassen, meer dan 38.5 graden koorts). De telefoonnummers vindt u achter in deze folder. Na deze periode moet u contact opnemen met uw huisarts.

Ontslag met katheter

Het plassen is helaas niet gelukt, u gaat met een katheter naar huis. Voor ontslag overlegt de verpleegkundige met de uroloog over het vervolgbeleid. U krijgt de volgende papieren, materialen en leefregels mee en/of dient u op te volgen:

  • Afsprakenkaart met daarop afspraak voor een poliklinische controle bij de uroloog, afhankelijk van beleid.

  • Eventuele recepten. U krijgt uitleg van de verpleegkundige.

  • Afspraken over het gebruik van de antibiotica, waarmee u voorafgaand aan de mictieobservatie bent gestart. In principe maakt u de voorgeschreven kuur af.

  • Afspraken over de medicatie, (her)start en/of stoppen. De verpleegkundige zal – als dit van toepassing is – uitleg geven over nieuwe medicatie (werking, dosis en tijdstip inname, bijwerkingen en dergelijke). Wanneer de uroloog bepaalde medicatie wil stopzetten, zal de verpleegkundige u hierover informeren en dit aan uw huisapotheek doorgeven.

U kunt tot een week na ontslag met het ziekenhuis bellen bij onverhoopte problemen, die te maken hebben met hetgeen waarvoor u opgenomen bent geweest (bijvoorbeeld niet meer kunnen plassen, meer dan 38.5 graden koorts). De telefoonnummers vindt u achter in deze folder. Na deze periode moet u contact opnemen met uw huisarts.

Tot slot

Denkt u eraan bij ieder bezoek aan het ziekenhuis een geldig legitimatiebewijs (paspoort, identiteitsbewijs, rijbewijs) en uw zorgverzekeringpas mee te nemen. Indien uw gegevens ( verzekering, huisarts, etc.) zijn gewijzigd, kunt u dit laten aanpassen bij de Patiëntenregistratie in de centrale hal van het ziekenhuis. Wij stellen het op prijs als u zich tijdig meldt voor de afspraak.

Vragen

Heeft u nog vragen en/of opmerkingen naar aanleiding van deze folder, stelt u deze dan aan de baliemedewerker van de polikliniek Urologie. De polikliniek Urologie Alrijne Ziekenhuis Leiden heeft routenummer 24 en is op werkdagen tussen 08.30 en 12.30 uur en tussen 13.30 en 16.30 uur telefonisch te bereiken via nummer 071 517 8244. De polikliniek Urologie in Alrijne Ziekenhuis Leiderdorp heeft routenummer 8 en is op werkdagen tussen 08.30 en 12.30 uur en tussen 13.30 en 16.30 uur telefonisch te bereiken via nummer 071 582 8060. Buiten deze uren wordt u verbonden met een antwoordapparaat, waarop u wordt verteld hoe u de uroloog bij spoedgevallen kunt bereiken. De polikliniek urologie in Alrijne Ziekenhuis Alphen aan den Rijn heeft routenummer 58 en is op dagen dat wij spreekuur hebben tussen 08.30 en 12.30 uur en tussen 13.30 en 16.30 uur telefonisch te bereiken via 0172 467 060. Buiten deze uren en dagen wordt u automatisch doorverbonden met de locatie Leiderdorp of met het antwoordapparaat, waarop wordt verteld hoe u de uroloog bij spoedgevallen kunt bereiken. De polikliniek Urologie in Alrijne Sassenheim (woonservicecentrum SassemBourg) is telefonisch te bereiken via 071 517 8751. De verpleegafdeling Urologie van Alrijne Ziekenhuis Leiderdorp is te bereiken via 071 582 9019.

Terug naar boven